1e beenworp (O-soto-gari)

 

De beweging van de armen is heel belangrijk. De rechterhand waarmee je hem omhoog duwt, dwingt je tegenstander zich goed vast te zetten op zijn hiel. De linkerhand trekt hem goed te laten steunen op het been dat je onderuit gaat halen. Je moet over de schouder van je tegenstander naar zijn rechterhiel kijken, en door je been ver uit te steken, haal je hem met een ruime en vloeiende beweging onderuit.

 

Je zorgt ervoor dat je tegenstander zijn rechtervoet naar voren zet, vervolgens zet je je linkervoet naar voren en plaatst hem tegen de zijkant van de zijne. Je moet je werpen met het hoofd naar voren gebogen, met de kin tegen je borst.

2e beenworp (De-achi-barai)

 

Je dwingt je tegenstander om zijn rechtervoet naar voren te zetten. Wanneer hij zijn voet op de grond wil zetten, veeg je hem weg op de enkel vlak langs de grond met de voetzool. Daarna trek je hem met beide handen op de grond. 

Om de 2e beenworp met succes uit te voeren moet je niet het lichaam naar voren leunen, maar op deze manier kan de andere de voet gemakkelijk op tillen

3e beenworp (Hiza-guruma)

 

 

Je tegenstander moet met het rechterbeen een beetje naar achteren staan. Je brengt hem uit zijn evenwicht wanneer hij bijna zijn hele gewicht verplaatst op het voorstuk van de voet. Je plaatst je linker voetzool tegen de buitenkant van zijn knie. En tenslotte trek je hem naar de grond en tegelijk draai je met een krachtige handbeweging zijn schouders en heupen rond.

 

Het is onmogelijk hem omver te krijgen als je de voet, die tegen de knie plaatst buigt. Ook moet je de voet niet onder de knie plaatsen. Pas op, je moet je been blijven steunen opdat je tegenstander struikelt. We zijn niet aan het voetballen.

4e beenworp (Ko-soto-gake)

 

Teneinde deze beweging goed te kunnen uitvoeren moet je je tegenstander naar achteren, in de richting van zijn rechterhiel, uit balans brengen en zet hem stevig vast in deze positie en haak met met de hiel zijn been weg om te werpen. Je werpt hem achterover door met beide handen te duwen.

5e beenworp (O-uchi-gari)

 

Je tegenstander staat met zijn voeten ver uit elkaar. Dan werp je je tegenstander naar achter omver. Je duwt  met de rechterhand terwijl je je been tussen de zijn doorsteekt en een cirkelbeweging maakt en haakt krachtig met je kuit de voet van je tegenstander onderuit. Je hele lichaam en je rechterarm drukken naar de kant waar je het steunpunt hebt weggehaald en in de richting van de grond.

 

Als je tegenstander zijn voeten niet uit elkaar heeft, kan hij makkelijk als hij het been dat je wilt omhalen, optillen. Als je scheef staat bij het omhalen bega je een grote fout die je de overwinning kan kosten, want het maakt je tegenstander gemakkelijk om een tegenaanval te doen met de 2e beenworp (De - Ashi - Barai)

6e beenworp (Ko-uchi-gari)

 

Je stelt je op voor de rechtervoet van je tegenstander en iets naar achteren. Met een kort ruk haal je rechtervoetzool, langs de mat, zijn hiel onderuit. Je drukt met je hele lichaam je rechterhand drukt naar achteren in die richting van zijn hiel die geen steun meer heeft. Je linkerhand naar jezelf toe en naar beneden. 

 

Je kan de beweging niet uitvoeren met de kuit en ook niet door het been op te tillen. Bij Ko - Uchi - Gari evenals bij de 5e beenworp (O - Uchi - Gari) moet je zo goed opleten dat je het bovenlichaam niet naar voren buigt. Je moet je met het hele lichaam naar voren gooien en naar de grond drukken.

7e beenworp (Okuri-ashi-barai)

 

Voor dit wegvegen moet je erg nauwkeurig te werk gaan. Je kunt het uitvoeren wanneer je tegenstander opzij stapt of zich omdraait. Wanneer hij met zijn voet op de grond steunt veeg je hem weg met de linkervoetzool, terwijl je hem met de handen optilt. En zo haal je hem keurig en zonder inspanning onderuit.

 

Dit wegvegen moet je op het juiste moment doen. Aan het wegvegen kun je de goede judoka herkennen. Je moet het tegen de enkel doen en niet hoger, met de voetzool en niet met de zijkant. Als je schopt en niet veegt doe je je tegenstander en jezelf pijn en bovendien kun je dan niet werpen.

 

8e beenworp (O-soto-guruma)

 

Je tegenstander is naar voren uit balans en met een draai zet jet het rechterbeen naar voren. Tegen de dijbenen van je tegenstander aangedrukt, laat hem draaiend over je been vallen

9e beenworp (O-soto-otoshi)

 

Wanneer je tegenstander met zijn volle gewicht op zijn rechtervoet steunt, trek je met de linkerhand om zijn gewicht daar te fixeren. Vervolgens plaats je je rechterbeen op zijn knie en je buigt voorover, terwijl je krachtig naar beneden drukt. Laat de druk van je linkerarm geen moment verslappen en zet je af met je linkervoet en leun naar voren.

 

10e beenworp (Ko-soto-gari)

 

Dit is een maaibeweging. Je brengt je tegenstander naar achteren en in de richting van de voet, die je wilt wegmaaien, uit balans en ga iets naast hem staan. Met een korte stoot naar voren, waardoor je hem op de grond werpt.

11e beenworp (Sasae-tsurikomi-ashi)

 

Je werpt je tegenstander omver met een gebaar alsof je hem "aan de haak slaat ". Je blokkeert de enkel met de voetzool en draait je schouders naar links en blijft trekken met je armen, terwijl je tegelijkertijd de afstand tussen de lichamen bewaart.

Je moet je lichaam niet naar voren buigen, want in dat geval, als je naar je tegenstander toebuigt, ben jij degene die valt. Je moet het lichaam gestrekt houden, terwijl je een brede zwaai met de schouders maakt.

12e beenworp (Hari-tsuri-komi-goshi)

 

Je laat je tegenstander met zijn rechterbeen naar achteren stappen en op het moment dat hij zijn voet neer wil zetten probeer je hem weg te vegen, tegelijkertijd til je hem omhoog. 

Zet wel je voetzool op zijn wreef en terwijl je je lichaam gestrekt houdt draai je je met een schouderbeweging naar links.

Sportvereniging Snel & Lenig
Wassenaar